Assessmentcenter stagegeschiktheid voor Praktijkschool en VMBO

Waarom een assessment center?

De stage wordt beschouwd als een leerproces waarbij algemene sociale- en arbeidsvaardigheden worden gespecialiseerd tot specifieke vaardigheden op een specifiek terrein, namelijk de werkplek.
In dit leerproces wordt kennis opgedaan uit ervaring. De ervaring is onlosmakelijk verbonden met de reeds aanwezige kennis.

Leerlingen van de praktijkschool en in het vmb de leerlingen van de leer-werktrajecten worden voorbereid op het zo zelfstandig mogelijk functioneren in de maatschappij. Zij leren dus vooral praktische vaardigheden.

·Deze doelstelling van het onderwijs sluit naadloos aan bij de doelstelling van het assessment center.

Met behulp van een AC wordt rechtstreeks gemeten in hoeverre een leerling beschikt over (in dit geval) het benodigde praktische sociale gedragsrepertoire en over de benodigde basis arbeidsvaardigheden om zich te kunnen handhaven in een stage c.q. in een arbeidssituatie.

· Rechtstreeks wil zeggen, er wordt niet gemeten via een tussenstap, b.v. een test of
een andere beoordeling, die dan weer vertaald moet worden naar een bepaalde
arbeidsprestatie. Er wordt als het ware een steekproef genomen uit relevant
gedrag,dat heel gestructureerd geobserveerd en beoordeeld wordt en dat
representatief moet zijn voor de totale verzameling van het gedrag dat we willen
meten (de zogenaamde samplemethode).
De achterliggende gedachte is:
GEDRAG IS CONSISTENT IN TIJD, EN SITUATIE SPECIFIEK.
Met andere woorden: iemand zal in de regel in soortgelijke situaties door de tijd heen hetzelfde gedrag vertonen.

Zoals boven gesteld moet het meten van het te beoordelen gedrag representatief zijn voor de totale verzameling van het gedrag.
Daarom moet het te meten begrip (hier geschiktheid om stage te volgen) goed geoperationaliseerd worden. De volgende gedragsdimensies zijn geselecteerd als representatief voor sociale vaardigheden van het lagere niveau

· Betrouwbaar waarnemen van sociale situaties (gaat om sociaal inzicht)
· Uiterlijk voorkomen en non-verbaal gedrag (basisniveau)
· Contactuele vaardigheden bij kennismaken
· Verbale communicatieve vaardigheden (= ook meting van praktische taalvaardigheden)
· Luistervaardigheid

Het betrouwbaar waarnemen wordt gemeten door de leerlingen een korte voor hen gespeelde scene te laten observeren en te laten interpreteren d.m.v. checklists.
De overige vier dimensies worden gemeten door de leerling een kennismakingsgesprek te laten voeren met de “toekomstige stagegever”, een gesprek dat ze ook daadwerkelijk moeten gaan voeren als ze op stage gaan. Het is daardoor ook relevant voor de leerling (leerdoel).

De volgende dimensies zijn geselecteerd als representatief voor arbeidsvaardigheden.

· Cognitief
– De toekomstige stageloper moet in staat zijn een instructie te onthouden en te
reproduceren of om te zetten in een daadwerkelijke handeling. Kortweg, er
wordt een opdracht gegeven en de leerling gaat aan het werk en voert de
opdracht uit; het omzetten van een instructie in een daadwerkelijke handeling.
– Wanneer de kandidaat de handeling wil beginnen zal hij zich een mentaal beeld
moeten hebben gevormd om de opdracht uit te kunnen voeren in de volgorde van
de taakstelling. Dit zegt wat over het ruimtelijk inzicht en het geheugenspan
van de kandidaat. In het licht van de groei van algemeen naar specifiek zijn dit
twee belangrijke cognitieve arbeidsvaardigheden.

· Affectief
– Bij de uitvoering van de taak zelf. Op het moment dat de toekomstige
stageloper aan het werk is gegaan , hoe is dan de werkelijke houding tegenover
de taak. Blijft hij geconcentreerd, werkt hij nauwkeurig, neemt hij eigen
initiatief waar het hoort, wordt er de nodige feedback gevraagd, wordt het
werk in een aanvaardbaar tempo gedaan, wat is de lichamelijke houding bij de
uitvoering, kortom hoe staat de kandidaat tegenover de uitvoering van de taak.
Verschillende dimensies zoals : algemene werkhouding, concentratie,
nauwkeurigheid,eigen initiatief, feedback en tempo komen aan de orde.

· Motorisch
– Hierbij wordt gelet op de fysieke uitvoering van de taak of het motorische
handelen dit geldt voor de fijne motoriek en groot-motoriek.

De arbeidsvaardigheden worden getoetst met 9 proeven die allen gerelateerd kunnen worden aan handelingen die uitgevoerd moeten worden in verschillende beroepssituaties. Twee assessoren begeleiden en scoren op basis van gestandaardiseerde vragenlijsten (methode van gerichte observatie).

Ontwikkelingsgericht of selectiegericht AC.

1.Ontwikkelingsgericht
Dat wil zeggen dat het primaire doel is de leerling te helpen zich te ontwikkelen
en de leerling bewust te maken van zijn vaardigheden die hij/zij nog niet goed
beheerst. Daarom is het zo belangrijk dat de leerling goede feedback krijgt over
zijn/haar geboekte resultaten. Wanneer het nodig is om specifieke trainingen te
volgen zal dit dikwijls parallel aan en gedurende de stage plaats kunnen vinden.

2.Selectiegericht
Leerlingen die nog niet echt stagegeschikt zijn kunnen m.b.v. dit AC worden
onderscheiden van leerlingen die dat wel zijn en in het uiterste geval worden
leerlingen nog niet geplaatst als dit nadelige gevolgen voor de leerling zou hebben.
Tweede selectiedoel is het matchen van wat een leerling in huis heeft met
wat een stageplek te bieden heeft qua taken, verantwoordelijkheden, mate van
begeleiding, enz.
Tot nu toe :

Maken meer dan 100 praktijkscholen gebruik van dit instrument. D.w.z. dat jaarlijks meer dan 1000 leerlingen van de praktijkscholen getest worden alvorens op stage te worden gestuurd.
Ook VMBO scholen ( beroepsgerichte leerweg en leerwerktrajecten), ROC’s, REC,s, MBO scholen (educatie) hebben hun interesse in het instrument getoond.